PD

foto door: Anton Atanasov

Rechercheur Bozkurt boog zich over het lichaam heen. Zijn witte pak kraakte en zijn haarnetje schuurde tegen zijn oor. In zijn 30 jaar als rechercheur had hij al heel veel gezien, maar kinderen. Kinderen grepen hem nog steeds het meeste aan. De leeftijd van de slachtoffertjes waar hij misselijk van werd was omhoog gegaan door de jaren heen. De leeftijd was gelijk opgeklommen met die van zijn dochter. Zijn dochter was al een tijdje geen kind meer, daar herinnerde ze hem vaak genoeg aan. Maar hij vindt 21 nog steeds een kind. Het meisje dat voor hem lag was ook nog steeds een kind. Oud genoeg om zelf over straat te gaan, veel te jong om te sterven.

‘Pardon rechercheur.’ Zei een van de mannen van de technische en Bozkurt stapte opzij. De man droeg samen met twee andere een grote witte party tent. Bozkurt voelde een nieuwe golf van misselijkheid opkomen zodra hij dacht aan het contrast tussen het woord partytent en de scène die voor hem lag. Hij had een enorme behoefte aan een grote hap frisse, verse lucht. Hij ademde in door zijn neus, alleen de lucht was bedorven door de geur van het meisje. Bozkurt fronste zijn wenkbrauwen. Hij merkte dat hij de man met de tent nog steeds aankeek.

‘Het gaat zo regenen.’ Beantwoorde de technisch specialist zijn niet gestelde vraag. Rechercheur Bozkurt keek naar de lucht. Het was donker en de dikke wolken waren hem niet eerder opgevallen. Het was nog extreem vroeg op de dag. Hij hoorde voetstappen door het zand op hem afkomen. Geoffry kwam aanlopen. De jongeman was nu al enkele maanden zijn vaste collega. Buiten zijn Utrechtse tongval was er niks mis met hem. Het was een jonge, gedreven man met een sterk onderbuikgevoel dat altijd juist zat. Bozkurt vertrouwde hem volledig en wist dat hij zijn werk met volle overgave kon overdragen. Zijn oude collega’s waren op hem na stuk voor stuk gestopt. Met vervroegd pensioen. Sommige noodgedwongen, omdat ze het werk niet meer aankonden. Anderen hadden hun vakantiedagen opgemaakt of zichzelf uitgekocht. Over vier jaar, twee maanden en drie dagen mocht hij ook weg.

‘Leonie Broeks, 17.’ Zei Geoffry. Hij duwde Bozkurt het roze brommer rijbewijs van Leonie Broeks, zeventien jaar, in zijn hand. Bozkurt keek naar het stukje plastic. In het kunstmatige licht zag hij door de weerspiegelingen heen dat het een mooi meisje was. Ja, was. Nu niet meer. Haar gezicht was verminkt en haar hoofd zat nauwelijks nog vast aan haar lichaam. Geoffry wilde onder de tent bij hun collega’s gaan kijken.

‘Geoffry.’ Riep Bozkurt hem terug. ‘Ja meneer.’ zei Geoffry terwijl hij weer een stap terug zette.

‘Wie heeft haar gevonden?’ vroeg Bozkurt. Geoffry gebaarde met zijn hoofd naar het afzetlint met het politie logo erop. Er stond een vrouw achter die niet meer dan 10 jaar ouder was dan hij. Een veel te dikke teckel zat aan haar voeten. De vetrollen van het arme beestje spreidde zich over de grond om zijn pootjes uit waardoor hij leek te zijn gesmolten. Zonder bevestiging te geven aan Geoffry liep haar naar de vrouw toe. Zodra hij twee passen had gezet voelde hij de eerste regendruppels op zijn gezicht.

‘Goedemorgen mevrouw, ik ben rechercheur Bozkurt en ik leid deze zaak.’ zei hij tegen haar. Zij wilde om hem heen kijken. Hij maakte zich onmerkbaar groter en blokkeerde haar zicht. ‘Ik heb net alles wat ik weet al aan die jongeman verteld.’ Terwijl ze dat zei wees ze met haar hand in de algemene richting van al zijn collega’s. Bozkurt wilde zuchten, maar wist dat dat de zaak niet zou helpen.

‘U mag het aan mij nog een keer vertellen.’ zei hij zo vriendelijk mogelijk. Zij moest die regen ook voelen, ging door zijn hoofd.

‘Ik ging nog even Marie uitlaten voordat Jan en ik op vakantie gaan met de camper. Wij wonen hier achter weet u en hier gebeurd nooit iets. Ons Jan houdt het allemaal bij wie er voorbij komt enzo. Normaal zie ik nooit iets. Nu zag ik haar liggen en heb meteen 112 gebeld.’ Bozkurt maakte een mentale notitie om ook even mat Jan te gaan praten en zijn boekjes te bekijken. Hij ging ervanuit dat Marie het gedrocht aan haar voeten was. Hij noteerde de volledige naam en adres van de vrouw.

‘Het is moord, ofnie.’ zei ze toen hij wegliep. ‘Dat weten we nog niet.’ zei hij. ‘We zijn hier om te zien wat het is.’ Hij wist dat het moord was. Of in elk geval dood door schuld, het kon niet anders. Maar dat hoefde zij niet te weten.    

Wil je meer lezen over rechercheur Bozkurt?

Ontruiming

Belletjes

Trackbacks and Pingbacks

Laat een reactie achter